|
| Home |
Informatie |
Activiteiten |
Internet contact |
Onderzoek |
Over ons |
Zorgaanbod |
Leden |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Verslag regionale bijeenkomst NKV 25 september 2010
|
|
Aanleiding De aanleiding voor deze lezing is het feit dat een aantal leden van de Nederlandse Klinefelter Vereniging onderzocht is op ADD. Het bestuur vroeg zich af of mogelijk vaker ‘bondgenoten’ met de ADD-problematiek te maken hebben. Daarop heb ik het aanbod gedaan een lezing over dit onderwerp te houden. Het wordt een lezing vol onzekerheden. Wat voor de een geldt hoeft zeker niet voor de ander te gelden.
|
Voorgeschiedenis 1845: De eerste omschrijving van een kind met concentratiestoornissen werd in 1945 gegeven door een Duitse psychiater, dr. Heinrich Hoffman. Hij beschrijft het wiebelen, wiegen en giechelen van zijn 4-jarige zoon aan tafel. De eerste stap naar ADHD. Veel later komt er een nieuwe vorm bij, namelijk ADD, waarover later meer.
1902: Sir George Frederik Still (1868-1941) beschrijft 43 impulsieve kinderen die problemen hadden met vasthouden van de aandacht, die snel agressief werden, niet wilden luisteren, weerstand boden bij discipline, extreem emotioneel gevoelig waren en niet in staat waren om de consequenties van hun daden te overzien of te voorspellen. Toch hadden de kinderen een normale intelligentie.
1937: George Bradly onderzocht de kinderen en gaf, in plaats van harde tucht, een stimulerende medicatie (bezedrine) waardoor hun schoolresultaten verbeterden.
1947: Er komt meer onderzoek en in een daarvan ontdekt men dat in de hersenen beschadigingen aanwezig zijn. Men noemt dit Minimal Brain Damage (MBD).
1967: Ondertussen is men er minder van overtuigd geraakt dat het beschadigingen waren. De naam werd daarom gewijzigd in Minimal Brain Disfunction. Men is sindsdien onderzoek blijven doen naar wat nu ADHD wordt genoemd.
1970: Rond deze tijd werd ontdekt dat niet altijd sprake is van hyperactiviteit, maar dat er ook een vorm is met alleen aandachtstekort en concentratiestoornissen: Attention Deficit Disorder, oftewel ADD.
2006: Oprichting ADD-vereniging door Karin Windt.
|
Onderzoek naar ADD Rond 1970 kwam aan het licht dat ADD (en ADHD) geen typische kinderziekte was, die rond de puberteit verdween, maar dat zo’n 60% ook als volwassene last bleef houden van de symtomen. Lang bleef de algemeen maatschappelijke mening dat ADD een opvoedingsprobleem was dat geen biologische oorzaak had. Men zei dat het kwam doordat de ouders steeds minder tijd voor hun kinderen hadden.
ADD is een aangeboren aandoening. ADD is vaak een familiekwaal en is voor 75% erfelijk bepaald.
(Net als bij het syndroom van Klinefelter uit ADD zich in een breed scala van verschillende uitingsvormen. Wat voor de een geldt, hoeft voor de andere in het geheel niet te gelden.)
Mogelijk heeft u afgelopen week de uitzending van Zembla gezien over dit onderwerp. Daarin bleek dat ADD op verschillende manieren wordt benaderd.
De grote doorbraak kwam met de PET-scan (Positron-emissie-tomografie), een radioactieve isotoop die een driedimensionaal beeld kan vormen. Met de PET-scan werden verschillen in hersenactiviteit ontdekt tussen volwassenen met ADD en volwassenen zonder ADD. Via de PET-scan werden afwijkingen ontdekt in de werking van de neurotransmitters. Een neurotransmitter is een molecuul dat wordt gebruikt voor signaaloverdracht tussen de zenuwcellen (neuronen) in het zenuwstelsel.
Bij onderzoeken met de MRI-scan werden nog grotere verschillen ontdekt.
|
ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) ofwel: Alle Dagen Heel Druk Onderstaand een korte uitleg om het verschil tussen ADHD en ADD te laten zien.
Bij mensen met ADHD kan sprake zijn van:
- Graag praten TEGEN de ander in plaats van MET de ander.
- Moeite hebben met goed en lang naar de andere te luisteren, men wil “verder”.
- Een sterke drang ervaren om lichamelijk te bewegen.
- Vaak rusteloos zijn.
- Het moeilijk vinden zich te ontspannen door innerlijke en uiterlijke bewegingsdrang.
Oorzaak ADD
ADD is geen karaktertrek of opvoedingsfout. Er is een tekort of een onevenwichtigheid in twee neurotransmitters: Dopamine en Noradrenaline. Deze twee neurotransmitters veroorzaken de problemen bij ADD.
Dopaminetekort speelt ook een rol bij onder andere:
- Parkinson (tremoren)
- Anorexia (moeilijk gewicht verliezen of aankomen)
- Libido (lang)
- Vermoeidheid
Naar schatting hebben 450.000 mensen ADD, waarvan een derde man is.
Kenmerken van ADD
- Emotionele wisselingen
- Chaotisch/Vergeetachtigheid
- Trekt zich graag terug
- Kan ergens volledig in opgaan (+)
- Grote passie bij interesse (+)
- Een groot voorstellingsvermogen (+)
- Gevoelig, emotioneel, betrokken (+)
- Veel creatief talent (+)
- Assertief, maar onzeker over zichzelf (+)
- Heeft humor/intelligent (+)
- Blijft op de achtergrond
- Laat alles wachten tot op het laatste moment
- Altijd ver vooruit aan het denken
- Staren, kijkt voor zich uit, lijkt afwezig
- Probleemoplossend (+)
- TV of radio staat altijd aan
- Concentratieprobleem, snel afgeleid
- Heeft moeite met opbrengen van motivatie
- Teveel gedachten/filosofisch
- Perfectionistisch in contrast met chaos
- Zit vaak te dagdromen, komt regelmatig laat
- Slecht in staat aanwijzingen op te volgen
- Voelt zich regelmatig overspoeld
- Moeilijkheden bij het afwerken van details
- Dwaalt in gedachten af bij luisteren
- Gaat opruimklusjes uit de weg
- Visueel/autodidactisch (+)
- Vaak een reken-, schrijf- of leesstoornis
- Gevoelig voor verslaving
- Heeft inzicht, beter in praktijk dan in theorie
- Kan zich goed verplaatsen in anderen (+)
- Kan logica waarderen (+)
- Weinig vrienden, maar sociaal (+)
(+) = Positieve kenmerken (voor iedereen weer verschillend)
Bron: Karin Windt, 2004
De kenmerken van ADD samengevat:
- Aandacht- en concentratiestoornis
- Moeite met organiseren
- Uitstelgedrag
- Ongeduldig
- Slaapproblemen
- Depressieve klachten
- Vaak te laat bij afspraken
- Vergeetachtigheid
Hyperfocus:
ADD’ers beschikken over het vermogen om korte periodes een interne focus te doen ontstaan voor zaken die aandacht of interesse trekken. Iemand kan volledig opgaan en raakt in een soort trance, een tunnelvisie, en de buitenwereld doet er dan niet meer toe. Als de hyperfocus afneemt ontstaat dromerigheid, inactiviteit, vermoeidheid. Men is dan snel afgeleid en heeft de neiging zich terug te trekken. Er is dan geen interesse meer.
Behandelingsmogelijkheden
Medicatie bij ADD
Medicatie wordt zowel voor volwassenen als voor kinderen gebruikt. Ook hier wordt verschillend over behandeling met medicamenten gedacht. Sommige behandelaars weigeren medicatie voor te schrijven omdat de betreffende medicijnen stimulerend zijn en onder de Opiumwet zouden kunnen vallen. Alle medicatie is verwant aan amfetamineachtige stoffen, zoals speed, pep en cocaïne. De hoeveelheden zijn echter dusdanig klein dat geen sprake is van een verbod op deze medicatie. De doseringen die bij ADD worden gegeven zijn veel lager dan drugsgebruikers zouden nemen.
In het algemeen heeft stimulerende medicatie bij ADD’ers een omgekeerd effect. In plaats van “high” te worden, zoals een verslaafde wil, worden ze juist kalm in het hoofd. Dr. Daniel Amen, een Amerikaans specialist op ADD-gebied, zegt dat de hersenen van personen met ADD profiteren van stimulerende medicatie. Deze medicatie laat meer bloed stromen naar de verschillende hersendelen. Alhoewel bijwerkingen kunnen ontstaan, zoals gejaagdheid en hoofd- en maagpijn, geeft niet behandelen meer schade in emotioneel en sociaal opzicht.
Bij goed ingestelde medicatie zal verbetering optreden in aandacht en concentratie. Het vermogen iets af te maken zal vergroten en er treedt een vermindering op in dagdromen en afdwalen. Bij ADHD is sprake van een lagere hyperactiviteit; woede en uitdagend én moeilijk gedrag verminderen ook.
Medicatie
- Ritalin: Het bekendste medicijn op dit moment, samen met Concerta. Rilatin stimuleert de hersencellen tot het aanmaken van neurotransmitters die nodig zijn voor de juiste prikkeloverdracht. (Ritalin wordt door niet-ADD’ers gebruikt als pepmiddel om ’s nachts langer door te kunnen gaan.)
- Concerta: Werkt als Ritalin, hoeft echter maar eenmaal per dag ingenomen te worden. Het werkt als een soort depot.
- Stratera: Wordt meer gebruikt bij ADHD, bij een tekort aan noradrenaline.
- Dextro-amfetamine: Ook een opiaat, bevordert een iets andere werking van de neurotransmitters.
- Efexor: Een anti-depressivum, wordt meestal bij een depressie gebruikt, maar werkt bij de lichtere vorm van ADD. Veelal worden ook angst en paniekstoornissen hiermee behandeld.
Naast medicatie worden ook andere behandelvormen toegepast voor ADD.
Neurofeedback
Dit is een behandelmethode voor de hersenen waarbij iemand kan leren om controle te krijgen over de “hersengolven”, via een EEG-onderzoek, door elektroden die op het hoofd worden geplaatst. Daarna kan men, via een computerscherm, door middel van tekentjes of muziek de hersengolven zichtbaar maken. En moet men oefenen om de hersengolven onder controle te krijgen. Basis is de operante conditionering door middel van “beloning en straf”, de Pavlov-reactie.
(Net als met de medicamenteuze behandeling is neurofeedback voor de een ‘alles’ en voor de ander ‘niets’.)
Anderen behandelingen
Educatie:
Zelfkennis en bekendwording met ADD.
Coaching:
Optimalisering naar ouders en school toe.
ADD en voeding:
Sommige producten hebben een dopamineverhogende werking. Vaak zijn dat de producten die regelmatig gegeten worden: appels, kip, eieren, sla, watermeloen, vis, honing en bepaalde noten en zaden. Ook een gluten-, zuivel- en suikervrij dieet zou gunstig zijn, maar hiervan werd door mij nog geen verdere uitwerking gevonden.
Feingolddieet:
Bananen, grapefruit, kiwi’s, peren, ananas.
Groenten:
Spruiten, bonen, bieten, broccoli, kool, wortelen, bloemkool, sla, paddenstoelen, uien, aardappels, spinazie, suikermais.
|
Comorbiditeit Comorbiditeit is het tegelijk hebben van twee of meer stoornissen of aandoeningen. Dit gebeurt in het algemeen met het gelijktijdig hebben van lichamelijke, geestelijke en vaak de daaropvolgende sociale problemen bij een persoon. Voorbeeld: Depressie of dyslexie gaat vaak gepaard met ADD. Depressie en dyslexie hebben dus comorbiditeit met ADD.
Het onderstaande overzicht geeft (deels) een beeld van problemen die veelvuldig voorkomen bij personen met ADD. De klachten overlappen elkaar. Er kunnen dus twee of meer aandoeningen bij een persoon zijn.
OCD: Obsessieve Compulsieve Stoornis. Dwanggedachten en dwanghandelingen. (De buurvrouw heeft iets tegen mij … en: Heb ik het gas wel uitgedaan…)
Dyslexie: Moeite met lezen. Nieuwe informatie moeilijk te begrijpen.
Dyscalculie: Moeite met rekenen.
Angst: Hartkloppingen, angstgevoelens (hoe denken anderen over mij, heb ik wel alles gehoord, kom ik weer te laat)
Depressie: Geen energie, zwaarmoedigheid.
Enuresis: Bedplassen.
Gilles de la Tourette:
Keelschrapen, snuiven, aandachtstoornissen, dwanggedachten, dwanghandelingen (tics).
Bipolair: Tussen hopeloos en juichende stemming.
PDD-NOS: Ten onrechte wordt vaak aangenomen dat PDD-NOS een lichtere vorm van autisme is. Dit is echter niet noodzakelijk het geval. Juist omdat PDD-NOS een restgroep is kan het verschillende kenmerken hebben, zoals autisme en ADHD.
Slaapproblemen: Gedachten niet stil kunnen zetten.
Drugs: Verleiding om verslavende middelen te gebruiken is bij ADD groot. Ook alcohol!
Hoge intelligentie
ODD: Oppositional Defiant Disorder: Agressiviteit en de neiging om anderen opzettelijk lastig te vallen en te irriteren.
DSM IV: Een patroon van negatief, vijandig en dwars gedrag, dat zich langer dan vier maanden voordoet en waarbij vier of meer van de onderstaande symptomen worden waargenomen:
- Wordt vaak driftig
- Gaat vaak met volwassenen in discussie
- Verzoeken of regels van volwassenen worden bewust overtreden of genegeerd
- Kliert andere mensen
- Geeft anderen de schuld van zijn of haar fouten en misdragingen
- Wordt snel boos of raakt snel geïrriteerd door anderen
- Is vaak boos of lichtgeraakt en is vaak hatelijk en wraakgierig
Klinefeltersyndroom: Vaak teruggetrokken (in kindertijd), verlegen, niet goed meekomen in een groep, geheugenverlies, moeheid, dyslexie.
|
Afsluitend Op Hyves staat een artikel van Fred de Vries van 27 oktober 2008 over het Klinefeltersyndroom. In een van de passages staat:
“Soms valt een kind pas op school op wanneer een leerkracht ervaart dat zo’n kind wat achterblijft in zijn taalontwikkeling en problemen heeft met lezen en schrijven. Ook lijkt zo’n kind dan wat op zichzelf te zijn, rustig, verlegen en toch wat gedienstig. Vaak zijn dit leerlingen die op hun rapport opmerkingen krijgen als: “Er zit zoveel meer in, wanneer hij eens echt zijn best ging doen.” Een klassiek muurbloempje dus.
Maar deze signalen lijken toch al heel veel op PDD-NOS, dyslexie en de rustige vorm van ADHD, namelijk Attention Deficit Disorder, oftewel ADD.”
Een van onze leden werd onderzocht op ADD. Toen het onderzoeksbureau te weten kwam dat ook het Klinefeltersyndroom aanwezig was bij deze persoon zei men niet verder te willen gaan met het onderzoek. De reden hiervoor was dat er zoveel raakvlakken zijn met ADD, autisme en PDD-NOS. Het Klinefeltersyndroom heeft zoveel eigenschappen die op ADD enz. lijken …..Veel zaken die in ADD voorkomen, komen ook bij het Klinefeltersyndroom voor en andersom.
Je zou dus kunnen zeggen dat uit de praktijk blijkt dat er veel verschillende (aangeboren) aandoeningen zijn, zoals PDD-NOS, autisme, Klinefeltersyndroom en ADD, die veel gemeenschappelijke kenmerken hebben. Er is nog geen wetenschappelijk bewijs omtrent waar die overeenkomsten vandaan komen.
Echter, zoals uit het begin van dit verhaal blijkt – eerst MBD, later ADHD en ADD – kan door de jaren heen mogelijk ook meer duidelijkheid komen omtrent deze problematiek.
Over ADD bestaat een scala aan informatie, die te vinden is op onder andere ADD-sites op het internet.
Geraadpleegde literatuur
- Website ADD-vereniging Nederland, Karin Windt
- Persoonlijk mailverkeer met Karin Windt omtrent vragen met betrekking tot de lezing.
- Wikipedia
- Boek: ADD “Verdwalen in een hoofd vol prikkels”, van Ans Ettema-Essler
- Trimbosinstituut Utrecht
- Verschillende sites op internet
|
|
|
|